Als er geraakt wordt aan
iemand die mij raakt dan raakt mij dat. Dat is drie keer raak, ten onrechte en
trefzeker.

Zelf in de tegenaanval
gaan heeft weinig zin maar de drang is groot. In de aanval betekent zelf de
vuurlinie opzoeken, de wind vol in het gezicht en stevig trappen. Maar daar ben
ik niet op getraind.

Ik ga vol in de aanval ,
zonder enige aarzeling, als diegene die aangevallen wordt zich minder kan
verdedigen en ik het onrecht ondraaglijk hard voel. Ik recht mijn rug en
verdedig, met kracht en vuur. Ik zet de ander uit de wind en laat hen
onzichtbaar meekomen in mijn wiel. Ik trap stevig door en rij de aanvallers er
allemaal af. Innerlijke oerkracht doet mijn motor draaien en de benen trappen.

Maar vaak ben ik niet
sterker dan zij, op kop. Voel mij kleiner en doe aan zelfbehoud. Blijf rustig,
ineengedoken, bijna onzichtbaar, een deel van het peloton.

En tegelijk voel ik mij
daar schuldig over. Waarom bijt ik niet, grom ik alleen maar een beetje
binnensmonds en niet echt hoorbaar?

Waarom spuw ik geen vuur,
klauw ik niet en brul niet naar zij die de aanval inzetten?

Waarom trap ik niet harder
en sneller, bijt op mijn tanden, en verbijt de pijn. Kramp in mijn benen,
verzuring in mijn hele lijf (maar dat hebben zij nog veel meer), maar wel met al
mijn kracht erop en erover. Waarom doe ik het niet?

Waarom laat ik passeren?
Laat ik ze aanvallen en reageer niet? Waarom zet ik de achtervolging niet in?
Vol met mijn kop in de wind. Durven en doen. Ik ben een watje!

Omdat ik een helper ben,
een knecht. Ik stel mij graag ten dienste van. Ik ben geen aanvaller, daarvoor
ontbreekt het mij aan kracht, aan lef, aan durf, aan breedgeschouderdheid. Ik voel mij goed in de rol die ik koos,
meestal toch, maar af en toe…..

Maar trots op “de kopman”.

“vive le vélo”.