Ik ben de voorbije weken op reis geweest. Daarin ben ik
vast niet de enige dezer dagen, maar de reis die ik maakte was er ééntje in
mijn binnenste.

Een trip waaraan ik begonnen ben zonder het zelf te weten
en waarvan ik ook niet precies weet wanneer en of ik mijn bestemming zal
bereiken, maar dat het een onvergetelijk avontuur is leidt geen twijfel.

Ik kan zelf niet precies navertellen wanneer de reis
begonnen is maar het moet rond het moment van het besef van een definitief afscheid
geweest zijn. Dat ik sterk het gevoel had daar vrede mee te hebben, het was
goed zo, het voelde oké.

De tijd was gekomen, geen pijn meer, niet meer afzien
maar rust en geluk. Alles verliep mooi, vredig en in harmonie. Het voelde goed,
ook al was het immens verdrietig.

Jarenlang had ik intens gezorgd voor haar, heel nabij.
Letterlijk en figuurlijk op elkaars vel, en eronder gekropen, tot diep in mijn
hart, in elke vezel van mijn lijf.

In de weken erna lijkt het alsof dat wat ik dacht een
plaats te hebben gegeven in mijn binnenste plots opspeelt en niet tevreden is
met de plaats die het kreeg. Het zorgt voor een gigantische onrust in mezelf.

Ik kan aan niks anders meer denken, over niks anders meer
praten en voel een allesoverheersende angst om nog iemand te verliezen.

De kwetsbaarheid van mijn gasten komt ineens als een
daverende trein bij me naar binnen en verlamt en blokkeert elke vezel in mijn
lijf. Een benauwd gevoel dat mijn keel letterlijk en figuurlijk dicht knijpt en
eten moeilijk, soms zelfs onmogelijk, maakt.

In alles beheersen mijn tranen mijn doen en laten, komen
ze ongevraagd en ongewild dominant naar boven en nemen ze alles van me over. Ik
wil het niet, het gebeurt toch.

Ik vecht tegen wat ik voel, kijk weg als ik haar weer voor
me zie, hou mijn lippen stijf op elkaar als ik woorden over haar voel komen. Ik
wil er niemand meer mee lastig vallen, ik los dit zelf op, dit gaat wel weer
voorbij.

Als ik me stilletjes hou, dan gaat de storm vast weer
liggen en neemt alles weer zijn gewone plaatsje in.

Maar mijn voelsprieten blijven te hard en te hoog staan
en het lijkt wel of elk haartje op mijn lijf een extra antenne heeft gekregen
waarlangs prikkels naar binnen kunnen komen.

Ik wil het zo graag zachter zetten of liefst helemaal uit
maar het lukt me niet. Dit is zo vermoeiend, het zuigt me leeg.

Ik voel me een miezerig klein en hulpeloos tranenhoopje
als ik hulp inroep om hier weer uit te komen.

Waar ik dacht dat blijven werken, blijven gaan en in het
juiste ritme blijven wandelen mij wel weer op het juiste pad zou krijgen,
blijkt niets minder waar.

Ik word verplicht te stoppen, om te draaien en terug te
wandelen.

Stilstaan, kijken en beseffen wat ik zie en voel. Van
hieraf moet ik praten, steeds maar weer praten over wat er in mijn binnenste
zit. Blootleggen wat ik eigenlijk wil verstoppen, praten over wat ik eigenlijk
wil inslikken omdat het dan minder pijn doet.

Ook deze weg is vermoeiend, ook dit zuigt me leeg , maar
het is toch een ander gevoel. Na de tranen lijkt er nu af en toe eerder
opluchting en geen nieuwe lading tranenvocht die zich onmiddellijk aandient.

Elk berichtje dat ik krijg van mensen om mij heen, elke
schouderklop, elke lief woord of mooi gebaar doen de traantjes stromen, maar
dan een tranenval van geluk, goed gevoel en een immense dankbaarheid aan zij die aan mij denken en die meevoelen, ongetwijfeld heel goed
herkennen wat ik voel.

Zij, die mij de rust gunnen en mij op die manier de
mogelijkheid bieden om hier weer uit te geraken, ik ben hen oneindig dankbaar.

Elk van mijn lieve collega’s, die mij begrijpen en het
vaak net zo aanvoelen maar die er deze keer wel beter doorheen geraken, bij wie
het plaatsje geven wel ineens lukte, zoals het bij mij ook al die andere keren
ging, alleen deze keer niet, ik draag ze groot in mijn hart.

In gesprekken met anderen heb ik geleerd dat dat niet
vreemd is, dat het ineens één keer teveel kan zijn, of één keer anders. Dat je dan best even kan stoppen en naar
binnen kijken, al is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Ook de vrienden die niet wisten dat ik een reis was
begonnen, hebben mij de voorbije weken vaak intens mooie momenten bezorgd,
omdat ik het even helemaal kon en mocht loslaten. Even niet aan denken of over
praten, gewoon andere zaken. Ook dat helpt.

Dankbaar ben ik mijn collega’s omdat ze mij met
zoveel begrip en warmte hebben
losgelaten en mij straks ook weer warm in de armen zullen sluiten. Een veilige
haven om te komen en af en toe ook even te gaan. Kontiki-kanjers, ik koester
jullie allemaal.

Mijn reis komt straks weer jullie kant uit, een beetje
met de bibbers in mijn benen of het allemaal wel goed zal gaan maar gesterkt
met de overtuiging dat jullie er zijn, in goede en kwade dagen.

Ik kan iedereen verzekeren dat dat van onschatbare waarde
is, die veilige haven van goede collega’s in een warm nest.

Dankbaar naar mijn ventje, mijn ouders en mijn mooie kids
omdat zij de warme thuis zijn die ik zo ongelooflijk nodig heb. Altijd en af en
toe alleen dat.

En, mercie aan zij die mij de tip gaf om boeken te lezen
van Manu Keirse.

Echt waar lieve mensen, laat het een tip voor iedereen
zijn. Ik lees nu een boek van Manu Keirse waarbij elke zin herkenning is en elk
woord me deugd doet.

Ik geef een paar van zijn zinnen mee en hoop dat het ook
anderen kan inspireren:

De hemelpoort
hoeft niet worden dicht geklapt, er moet plaats zijn voor emoties. Dat je beter
door het leven en ook naar de mensen toe kunt stappen en je gevoelens niet als
een blok lood in je schoenen moet opbergen.”

“Dat je als
hulpverlener geen antwoorden moet hebben op vragen, maar bereid moet zijn om te
worstelen met deze vragen.”

“Zorgen voor
stervenden is niet zomaar iets wat we “doen”. Het wordt een deel van onze
identiteit, van ons levensplan.”

“Een dierbaar
persoon gaat mee met de mensen door het verdere leven, ook al is hij gestorven.
Geen kind is zo aanwezig als het kind dat wordt gemist.”

(Manu Keirse, uit
het boek: Van het leven geleerd.)

Bianca